De Verenigde Staten (VS) en Duitsland liepen voorop in de Tweede Industriële Revolutie. In de VS werd vroeg geëxperimenteerd met het lopende band systeem, met name in de auto-industrie. Daarnaast was het land koploper in de productie van staal en olie. In Duitsland kwamen de elektriciteitsindustrie en de chemische industrie tot grote bloei. Elektriciteitsgiganten waren de bedrijven AEG en Siemens. Duitse chemische bedrijven als AGFA en BASF hadden een leidend aandeel in de productie van synthetische verfstoffen (rond 1900 beheersten zij zo'n 90% van de wereldmarkt), fotografische en plasticproducten. In het spoor van deze twee industriële grootmachten (die al snel Groot-Brittannië voorbijstreefden) volgden Frankrijk, Japan en Rusland. Na de Tweede Industriële Revolutie maakten steeds meer landen, op steeds meer continenten, een meer of minder bescheiden industriële ontwikkeling door. In sommige gevallen werd de industrialisatie door de staat ter hand genomen, niet zelden met grove dwangmiddelen - denk aan de vijfjarenplannen in de Sovjetunie.

Terug